Menu Sluit

“Het is toch mijn business hier, alles kost geld, ieder potlood en papiertje. tja leuke hobby, …toch?”

Woody van Amen, beeldend kunstenaar

Vrijwel direct nadat ik aangebeld heb zwaait de deur open van het atelierpand in de Lambertusstraat en daar staat hij bovenaan de stoep: de kleine grote man die mij als jong academie-studentje al intrigeerde door zijn tomeloze energie en enthousiasme. Heel even kijk ik in het duister van de donkere hal, maar al direct naar rechts is de open deur naar zijn atelier waar hij mij voorgaat. Woody van Amen kijkt tevreden rond in zijn ruimte, struint mij voor door een gangetje naar een volgende ruimte die vol staat met doeken. Daarachter weer een deur door, heel even die donkere gang in om meteen rechtsaf af te slaan naar buiten, een binnenplaats op, vol zon en potten met planten.

Hij laat het allemaal zien, de planten (bonsai-boompjes) en de potten, het bamboe en de stenen. “Allemaal zelf gepot en geplant en gelegd met Cocky” [zijn inmiddels overleden vrouw, AR]. “Die is hier altijd bezig geweest. Er komt hier verder niemand, ja misschien wanneer ik er niet ben, okay! Goed! Prachtige plek toch? Ik kwam terug uit Amerika met Cocky, daar heb ik 2,5 jaar gewoond en gewerkt zonder beurs of wat dan ook, we zijn gewoon op een boot gestapt in 1961 en teruggekomen boordevol indrukken. Ik stond te borrelen natuurlijk om gelijk weer aan de slag te gaan. Maar ik had hier geen atelier, dus stapte ik elke dag op de fiets naar de Afdeling Kunstzaken en stond daar dan voor het loket van Gerrit Luchtenburg. En iedere dag zei ik tegen Gerrit: “ik heb een atelier nodig” en iedere dag zei Gerrit: “er is geen atelier.” Maar na een paar maanden kreeg ik de sleutel van dit atelier! Zesenvijftig jaar geleden!”

Hij heeft het hoekatelier en ook het atelier ernaast, allebei op de begane grond. Een zijraampje kijkt uit op dat binnenplaatsje. Daar, bij dat raampje drinken we thee. “Hiernaast zat Pietje Rovers. Die tussendeur was dicht en ik was jong en had de radio heel de dag keihard aan. Net als die stratenmakers. Ja!” Hij lacht. “Heel de dag keiharde muziek. En Pietje klaagde nooit hoor, weet je. Maar ik denk dat Pietje een beetje last kreeg van het kabaal dat ik maakte en op een dag zei hij: ‘ik ga hier weg’ en toen dacht ik jeetje… dat is fantastisch!! Ik ben meteen naar Gerrit gegaan; stond ik weer voor dat loket: kan ik dat andere atelier erbij huren? Ja natuurlijk Woody! Kon ik het erbij huren! Nou, dat doen ze nou nooit meer. Als ik straks dood ben, dan komt het hier leeg, dan maken ze die muur dicht en hebben ze weer twee ateliers om te verhuren!”.

“Kijk, iedereen werkt, de een gaat ochtends naar zijn baas toe, maar als kunstenaar heb je geen baas, toch? Dan ben je eigen baas en als je dan schrijver bent, heb je geen atelier nodig, dan werk je thuis, op een computer. Maar de dingen die ik hier maak kan ik niet thuis in een kamertje maken. Dus heb je een ruimte nodig, de een noemt het een atelier de ander een studio, ok! Dat maakt niet uit, maar je hebt een ruimte nodig en dan kan je je gang gaan. Dan kan je je passie volgen, toch? Kunstenaar zijn is toch in zekere zin een roeping, zo noem ik het maar. Ik zou het ook niet anders kunnen uitdrukken.”

“Ik ben hier veel, iedere dag, maar ik heb hier verder weinig contact met de andere kunstenaars. In het begin nodigde ik een nieuwkomer nog weleens uit, om me voor te stellen, bij een kop thee. Dan denk je: misschien krijg je een soort kruisbestuiving. Ja weet ik veel, misschien gebeurt er wat! Maar er gebeurt helemaal niks, nee! Iedereen doet zijn eigen ding hier en gaat daarna weer naar huis. Prima toch? Ieder jaar is hier een open dag, maar ik doe daar nooit aan mee, vroeger deed niemand daar aan mee en ik heb daar helemaal geen tijd voor! Maar hier zijn er een paar die vinden het heerlijk om hun werk en atelier te laten zien, nou prima toch? Als ik er maar niet aan mee hoeft te doen. Ik heb daar helemaal geen zin in… een wildvreemde in mijn atelier laten, nee, dat doe je toch niet? Nee! Er wordt soms wat verkocht op zo’n open dag, nou goed, moet je het zeker blijven doen. Ik zit daar verder ook niet mee, er is hier geen sfeer van haat en nijd behalve van die kleine futiliteiten. Maar weet je, het is overal zo! Het zijn allemaal mensen.”

“Op zaterdag zit ik hier ook lekker te werken. Ik ontvang mijn klanten hier. Ik werk met een paar galeries die doen ook hun best en daar doe ik het mee. Je moet je contacten onderhouden, dat hoort er allemaal bij, niks gaat vanzelf. Het is toch mijn business hier, alles kost geld, ieder potlood en papiertje. Ik heb net twee doeken gekocht: 125 euro, ja leuke hobby, tja… toch? Ik heb hier een hogere energierekening dan thuis. Kijk…”, hij wijst op de kieren van het zijraampje, “in de winter doe ik hier wc papier tussen want het tocht en de kachel staat altijd aan. De SKAR heeft aangeboden de vloer te isoleren, maar dat hoeft voor mij niet, dat doen ze maar wanneer ik hier weg ben… “

“Maar ik ben blij dat ik hier zit, toch? Fantastisch! Ik zal je wat laten zien… even kijken hoor…” Hij loopt en zoekt en rommelt in stapels. Dan laat hij een oude huurovereenkomst zien uit 1963 “Hier”, hij tikt met zijn vinger op de letters en ik lees: Huur: 6 gulden over een tijdvak van drie maanden. Ik kijk op en we lachen.
“Nou Anna… heb je genoeg?”